PARANOIA (CACAOFABRIEK)

June 8th until July 16th 2010 I did a residency at De Nederlandsche Cacaofabriek in Helmond, the Netherlands, at the end of which I had a solo show in their project space. Simultaneously I curated a group show called ‘Paranoia’ which was shown in the main exhibition space.

Paranoia Poster

Paranoia, main space: Donya Saed, David Allen, Matthias Dornfeld

.

Paranoia, main exhibition space: Tjorg Douglas Beer, Fabian Fobbe, Raaf van der Sman, Klaus Winichner, Daniel Jensen, Michael Kirkham

.

Paranoia, my work called People in People

click on image to continue

20.06 t/m 25.07.2010

DE Nederlandsche CACAOFABRIEK

Paranoia wordt, naast het ziektebeeld en de betekenis in het dagelijks taalgebruik van waandenkbeelden, door sommige psychologen en filosofen gezien als de basis van alle kennis van de werkelijke wereld: de fysieke aanwezigheid van ‘het andere’ tast per definitie het autonome, gesloten en veilige beeld dat het individu van zichzelf heeft aan.

____________________________________________________________________

Kunstenaars: David E. Allen, Tjorg Douglas Beer, Ben Cottrell, Matthias Dornfeld, Fabian Fobbe, Andrew Gilbert, John Hodany, Jeroen Jacobs, Daniel Jensen, Natasja Kensmil, Michael Kirkham, Donya Saed, Raaf van der Sman, Lars Monrad Vaage, Klaus Winichner

Curator: Raaf van der Sman

____________________________________________________________________

David E. Allen (1977, Groot Brittanië) maakt werk dat is gebaseerd op natuurwetenschappelijke methodes, maar waarin menselijk falen als noodzakelijk onderdeel is geïntegreerd. In de ‘drop drawings’ wordt met grote inspanning gepoogd een systeem in stand te houden, dat blijkt echter hoe langer hoe onmogelijker.

Het werk van Tjorg Douglas Beer (1973, Lübeck, Duitsland) bestaat uit provisorisch samengestelde collages, installaties en schilderijen vol plastic en plakband, waarin archaïsche computeresthetiek, maatschappijkritiek en woordspelingen op vanzelfsprekende wijze naast elkaar worden gezet.

‘Altar’ (2007), een sculptuur van Ben Cottrell (1972, Groot Brittanië), bestaat uit een gezicht, zonder lichaam, dat is gemonteerd op een oerdegelijke eikenhouten constructie, die aan boerenhoeves in Duitsland doet denken. Het gezicht is uit een dun stuk gebeitst triplex gesneden als een soort silhouet, en keert vol dreiging terug in enkele schilderijen, bijvoorbeeld als de schaduw van een boom. Het is dan de vraag of we met een louter boosaardig wezen te maken hebben of met een hedendaagse Dionysus.

Matthias Dornfeld (1960, Esslingen, Duitsland) werkt met half abstracte figuren, die in archetypische situaties worden afgebeeld. Falen ziet Dornfeld als belangrijk onderdeel van het werkproces: “Failure is an important point for me, because I’ve had the experience (not always, but very often) that without failure at some point in the working process, I cannot make a good painting.” Wellicht ontstaat hierdoor de intensiteit en de suggestie dat er niet alleen wordt gezocht naar een psychologische identiteit van de figuur, maar ook dat er een diepgaand onderzoek naar de grondvesten van de verschillende genres binnen de schilderkunst wordt gedaan.

De zwart/wit schilderijen van Fabian Fobbe (1978, Hannover, Duitsland) hebben als onderwerp een bekende wereld: die van de computer graphics, cartoons en logo’s. Door het uitkiezen van absurde motieven, die vervolgens een sterke materiële aanwezigheid te verlenen en tegelijkertijd op paradoxale wijze te laten zweven, wordt deze wereld in een bevreemdend perspectief geplaatst.

Andrew Gilbert (1980, Edinburgh, Schotland) geeft het gewelddadige koloniale verleden weer van Groot Brittannië, vooral ‘The Anglo Zulu War’ van 1879. Gilbert stelt dat zijn tekeningen ook kunnen worden gelezen als een commentaar op het heden, met zijn cultuurconflicten in Europa en het Midden Oosten, en daarnaast als een verbeelding van de machtsstrijd tussen de onderdrukker en de onderdrukte.

In de werken op papier van John Hodany (1974, New York, Verenigde Staten) is alles – van boten en stenen tot watervallen en vleermuizen – gevangen in een geometrisch patroon. De optisch geladen kleuren en de met minieme variaties frequent herhaalde motieven, gekoppeld aan een bijna dwangmatig geometrische opmaak, roepen aan de ene kant associaties op met het werk van geestelijk gestoorde kunstenaars als Martin Ramirez, maar op hetzelfde moment ook met Pac Man en vroege Egyptische kunst.

Het werk van Jeroen Jacobs (1968, Helmond, Nederland) wordt gekenmerkt door een grote aandacht voor tussenruimtes. Jacobs zoekt in zijn gegoten betonsculpturen de grenzen van de sculpturale mogelijkheden op: de mallen voor de sculptuur laat hij bewust open en zo, in een proces waarin toeval en intentie beide een belangrijke rol krijgen toebedeeld, ontstaan complexe vormen die een opvallende gelaagdheid hebben. De deels gladde en glanzende structuren lopen uit in een grof en ongevormd fundament, waardoor de associaties die de beschouwer in eerste instantie heeft, met bijvoorbeeld historische architectonische vormen, door de nadrukkelijke aanwezigheid van het ontstaansproces ontregeld worden.

De tekeningen van Daniel Jensen (1972, Malmö, Zweden) zijn verstorend eenvoudig. Er worden verhalen geschetst waarvan de precieze toedracht nooit helemaal duidelijk is. Een verdorven sprookje, een volksverhaal of de beschrijving van een occult gezelschap worden met haast kinderlijke middelen indringend weergegeven.

Natasja Kensmil (1973, Amsterdam, Nederland) schildert onder meer portretten van de Romanovs, van het Engelse koningspaar Victoria en Albert en van Jenny en Karl Marx. Daarin laat Kensmil een complex geheel zien van menselijke, historische en maatschappelijke relaties. Het isolement waarin deze paren verkeerden en de vergankelijkheid van de macht worden getoond in al hun naaktheid.

In ‘La Femme De Cuisine Fatale’ van Michael Kirkham (1971, Blackpool, Groot-Brittannië) wordt in een kort beeldverhaal op onderkoelde wijze een – mogelijk vrijwillige – castratie in beeld gebracht. Kirkhams werk wordt overheerst door apathie en heeft, ondanks de op het oog realistische weergave van de hoofdrolspelers, als voornaamste kenmerk een bewust gehandhaafde afstand tussen kijker en onderwerp. De beschouwer wordt daardoor een voyeur en het lijkt wel alsof het werk ‘terugkijkt’.

Donya Saèd (1976, Teheran, Iran) houdt zich in haar werk bezig met een kritische analyse van de geïdealiseerde werkelijkheid zoals die ons door de massamedia voorgeschoteld wordt, door de slogans, symbolen en de reproductietechnieken daarvan te confronteren met de poëzie van het persoonlijke handschrift – en vice versa. De combinatie lijkt onaangenaam goed als reclame te werken. Pas na enkele seconden wordt de beschouwer gedwongen zijn mening te herzien: dan pas doordrenkt de emotie – met soms bijtende ironie – het papier.

In het werk van Raaf van der Sman (1973, Groningen, Nederland) springt naast de door hem ontwikkelde ondergrond van papier dat op aluminium is geplakt, de combinatie in het oog van tekst en beeld. Verweerde muren, graffiti, paranoïde teksten en doodles worden evenals Rorschach Tests samengesmeed tot een geconcentreerd geheel, waarin ook lelijkheid niet wordt geschuwd.

Lars Monrad Vaage (1973, Oslo, Noorwegen) heeft een eigen beeldtaal gecreëerd die ook naar voren komt in de verklaring die hij van zijn beelden geeft. Zo schreef hij over het werk ‘They Told The Future Backwards’: “A young boy walks through the forests, up a mountain, and into a cave to see some wise men about the future. They sit gathered around a fire-place inside with long beards. He asks them about the future, and they start foretelling, but they speak backwards. The young boy has heard this from somewhere, so he has brought an old-fashioned cassette-player and records their weird mumbling. When the wise men are done with their foretelling, the boy plays the cassette backwards. Then he knows the future.”

Bij Klaus Winichner (1967, Altötting, Duitsland) worden gevonden materialen, zoals boeken en fragmenten van betegelde badkamerwanden, opnieuw samengesteld en met gips en beton verbonden. In het daaruit ontstane werk wordt een vreemd soort poëzie opgeroepen – vol dreiging en tegelijk teder – die ondanks de ongewone opbouw klassiek oogt. Winichner: „Die Sujets sind vergangen und die Subjekte verloren in irgendetwas Unendlichem.“

image courtesy Alp/Peter Bergmann: Daniel Jensen